ONDERZOEKSLIJNEN

De onderzoekslijn ‘postdramatische esthetiek' duidt op de aanwezigheid van een cesuur in de hedendaagse theatertheorie en -praktijk. Met zijn publicatie Postdramatisches Theater (1999) introduceerde de Duitse theaterwetenschapper Hans-Thies Lehmann immers een paradigma om de evolutie van de podiumkunsten sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw aan te geven. De cesuur betreft in concreto het failliet van de klassieke narratie als ordening van het tekengevend materiaal. De postdramatische esthetiek gaat voorbij aan de eenduidige rangschikking van het tekengevend materiaal rond één bepaald centrum, namelijk de narratieve plotstructuur. De synthetiserende kracht van de plot, het centrerende principe van de narratie dat de overzichtelijkheid en de constructie van de idee garandeert, wordt verlaten. Er worden nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor de autonome slagkracht an woord, beeld en klank. Toch betekent dit niet dat de tekst volledig achterwege gelaten wordt. In tegenstelling tot de historische avant-garde in het begin van de twintigste eeuw betekent het postdramatische theater geen radicale negatie van de klassieke dramatische esthetiek van Aristoteles, maar een verruimingsoperatie. 

WOORD

De aanwezig gestelde narratie mist met andere woorden de Aristotelische eis van duidelijkheid en overzichtelijkheid, het kent geen eenheid van actie, noch een duidelijk begin, midden en einde. Ook wordt de onmacht van het begripsgeladen woord erkend. Niet alleen op het vlak van de tekst en het verhaal, maar ook op het vlak van het woord verhoudt het postdramatische theater zich kritisch ten opzichte van het linguïstische paradigma dat met het traditionele dramatische esthetiek verbonden is. 

KLANK

De postdramatische esthetiek genereert wat Lehmann omschreef als de muzikalisering van de theatrale tekens in een auditieve semiotiek (2006, 91). Dit voltrekt zich op twee niveaus. Enerzijds is er de opkomst van mengvormen als muziektheater in het podiumkunstenlandschap, anderzijds krijgt het woord los van zijn betekenis een autonome klankwaarde. De performatieve aspecten van klankgedichten en klankruimten (soundscapes), het fenomeen van de "ubiquitous polyglossia" (Lehmann 2006, 92) zal in een dialoog met musicologen (vakgebied musicologie van UGent en opleiding muziek van het departement Conservatorium van de HoGent) een extra dimensie krijgen.  

BEELD

De postdramatische esthetiek genereert tevens een scenografie als visuele dramaturgie. "In place of a dramaturgy regulated by the text one often finds a visual dramaturgy (...) Visual dramaturgy here does not mean an exclusively visually organized dramaturgy but rather one that is not subordinated to the text and can therefore freely develop its own logic." (Lehmann 2006, 93) Een inzicht in de strategieën van het beeld en een dialoog met kunstwetenschappers en kunstenaars uit het domein van de beeldende kunsten (UGent en Kask HoGent), zal uiteraard een verdieping geven voor het onderzoek naar de  postdramatische esthetiek in een hedendaagse theaterwetenschap en -praktijk. (voor een overzicht zie punt II.2) 

INTERDISCIPLINAIRE UITVALSBASIS

De postdramatische esthetiek die door Hans-Thies Lehmann binnen een theaterpraktijk onderzocht werd, valt ook te traceren in andere kunsten. In film, bijvoorbeeld, was tot de jaren veertig de puur ‘abstracte', de ‘poëtische' of de surrealistische film het enige alternatief voor de formele conventies van het op de negentiende-eeuwse roman gebaseerde filmverhaal. Susan Sontag omschrijft deze films als extreme breuken met de formele structuur van het proza. Het ‘verhaal' en de ‘personages' worden immers volledig aan de kant gezet in het voordeel van een associatie van beelden. De traditie van de avant-garde film - zoals die van de surrealisten in de jaren twintig en dertig - heeft altijd in het verlengde van de poëtische film gelegen en hanteert de directe presentatie en de zinnelijke, veelzijdige associatie van ideeën en beelden. (Sontag 155) In de artistieke ontwikkelingen van de Franse Nouvelle Vague ziet de Franse poststructuralist Gilles Deleuze een postrepresentatieve esthetiek werkzaam die verwant is aan de postdramatische esthetiek zoals ze door Lehmann omschreven werd. De Deleuziaanse filmtheorie en -taxonomie zoals die uitgewerkt werd in L'image-mouvement en L'image-temps vormt binnen de voorgestelde associatieonderzoeksgroep dan ook een dankbare brug naar het medium film. De Nouvelle Vague is de praktijk waarin de theorie van Deleuze omtrent het tijdsbeeld (image-temps), het leesbare beeld (image lisible) en het denkende beeld (image pensante) gestalte krijgt. 

Het is vanuit deze optiek dat niet alleen onderzoekers van de departementen drama en muziek van het Conservatorium opgenomen worden in de voorgestelde associatieonderzoeksgroep, maar ook  onderzoekers van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, die een doctoraat in de kunsten voorbereiden.

PREDRAMATISCHE ESTHETIEK 

Dat enkel het theater vanaf de jaren tachtig een postdramatische esthetiek hanteert, is al te kortzichtig. Lehmann geeft in Prädramatische und postdramatische Theater-Stimmen (2004) immers aan dat het "predramatische theater" van onder andere Seneca een verwante esthetiek heeft. De Poetica van Aristoteles betreft immers een richtlijn voor theatermakers die in schril contrast stond met de theaterpraktijk van de tijden voorheen.

INTERCULTURELE UITVALSBASIS 

Een belangrijke invalshoek betreft de meerwaarde die de postdramatische esthetiek biedt voor intercultureel / muticultureel onderzoek. Aristoteles' Poetica geldt immers als het ijkpunt van de klassieke dramatische esthetiek van het Westen. Deze westerse klassieke dramatische esthetiek is bovendien onlosmakelijk verbonden met een westerse mensvisie; die van het dualistische systeemdenken, het logocentrisme en het kennissubject. In de tragedie wordt de taal georganiseerd vanuit literaire modellen die strategisch ingezet worden en hieraan uitdrukking geven. Aristoteles installeerde enerzijds de economie van het ‘zelfde' binnen het dualistische systeemdenken; de herkenning van het identieke was zijn centrale bekommernis en niet het onderscheiden van het differente. (Deleuze (1968) 41). Anderzijds hebben de tragische ervaring (als filosofische categorie) en de tragedie (als literaire categorie) in het Westen een duidelijk profiel gecreëerd van logocentrisch denken, waarnemen en voelen. Het westerse kennissubject wordt hierbij opgeroepen tot handelen, loskomen van de natuur, het maken van keuzes en het opnemen van verantwoordelijkheden, waardoor duidelijk een interesse blijkt in menselijk 'willen'.

Reeds vanaf de vroege islamitische periode (7de eeuw) hadden de Arabische schrijvers toegang tot de klassieke Griekse dramatische teksten. Deze werden echter niet geïncorporeerd in hun artistieke praktijk. De reden hiervoor is hoogstwaarschijnlijk de onverzoenbaarheid tussen het Griekse pantheïsme en het islamitische monotheïsme. Een andere belangrijke reden kan de incompatibiliteit zijn van de tragische held met de soteriologische invalshoek van de islam waarbij het lot vanzelfsprekend en onbetwistbaar in de handen van God ligt. De westerse individuele held, die doorheen een queeste en via veranderingsprocessen verlangt om zelf zijn identiteit vorm te geven, staat haaks op het islamitische concept van de lotsbestemming. (Shafik 68-69) Een dramatische structuur die de Arabische literatuur wel handhaaft, is de ‘maqama' (gebeurtenis) die geschreven is in rijm. Niet de doelgerichte en betekenisvolle handeling, maar de aaneenschakeling van gebeurtenissen in het hier en nu vormen de narratieve plotstructuur. Ook de muzikaliteit van de taal vormt een specifiek kenmerk. Interessant daarbij is dat de Griekse tragedie de machtsverhouding tussen woord en muziek installeerde. De taal emanicipeerde zich van de muziek en deed haar eigen logica bovenmatig gelden. (Nietzsche 528) Taal is een orgaan van het bewustzijn in tegenstelling tot de muziek die zonder linguïstische bemiddeling het hart onmiddellijk raakt. De muzikaliteit vormt met andere worden een vluchtlijn doorheen het westerse logocentrische en linguïstische paradigma. 

(Christel Stalpaert)

Bibliografie 

Deleuze, Gilles. Différence et Répétition, Paris, Les Presses Universitaires de France, 1968.

Deleuze, Gilles. L'image-mouvement, Paris, Les Éditions de Minuit, 1983.

Deleuze, Gilles. L'image-temps, Paris, Les Éditions de Minuit, 1985.

Donadey, Anne. "Rekindling the Vividness of the Past", World Literature Today, vol. 70, no. 4, Autumn 1996, pp. 885-892.

Lehmann, Hans-Thies; "Prädramatische und postdramatische Theater-Stimmen", in Kunst-Stimmen, ed. Doris Kolesch and Jenny Schrödl, Berlin, Theater der Zeit, 2004, pp. 40-66.

Lehmann, Hans-Thies; Postdramatic Theatre, trans. Karen Jürs-Munby, London, Routledge, 2006.

Nietzsche, Friedrich. Sämtliche Werke, eds. Giorgio Colli and Mazzino Montinari, 15 delen, München, Deutscher Taschenbuch Verlag, 1980.

Shafik, Viola. Arab cinema: History and Cultural Identity, Cairo, American University in Cairo Press, 1996.

Sontag, Susan; "Godard", Styles of Radical Will, New York, Picador, 2002, pp. 147-192.